Het ontstaan van Wieringen als eiland.
De meest waarschijnlijke verklaring voor de
naam 'Wieringen' is, dat deze afstamt van het
oud-Friese woord 'Wird' dat 'hoogte' betekende.
Het oudste gedeelte van het voormalige eiland
bestaat uit diluviale keileemgronden, afgedekt
met zandgronden, die hoog boven het zeeniveau
zijn gelegen en die zijn ontstaan tijdens de
voorlaatste ijstijd (de Rissijstijd). De vele
zwerfkeien op Wieringen getuigen nog van deze
tijd. In het begin van de jaartelling lag
Wieringen ingebed in een enorm veenlandschap,
dat zich uitstrekte over grote gedeelten van het
tegenwoordige Noord-Holland, alsook de latere
Zuiderzee. Uit bodemkundig onderzoek is
gebleken, dat na een inleidende veengroei van
riet en zeggeveen er een groot veengebied,
bestaande uit veenmos, heide en wollegras,
ontstaan was waaruit Wieringen als een droog
eiland omhoog stak. Deze hoge gedeelten temidden
van water en moerasstruiken, moeten zeer goed
bewoonbaar zijn geweest en waren rijk aan
natuurlijke voedingsbronnen.
Vast staat dat Wieringen omstreeks de 10e
eeuw bewoond was en er sprake was van 'Strude'
(het huidige Stroe) en Alvitlo (huidige Elft in
Hippolytushoef). Beide namen wijzen op
begroeiing met dichte struiken en een open
plaats in het bos.
Het is niet waarschijnlijk dat er rond deze
tijd op de lager gelegen gedeelten sprake is
geweest van turfwinning voor eigen gebruik. De
grote vraag naar deze brandstof kwam pas na
opkomst van de steden in de 13e eeuw en toen
waren deze veengebieden alweer door de zee
overstroomd. Een andere vorm van exploitatie van
het veen was die ten behoeve van de zoutwinning,
een veel gevraagd conserveringsmiddel. Er was
toen nog geen sprake van zout aanvoer uit het Middellandsezeegebied. Het tijdens geruime tijd
met zeewater overstroomde gebied door zogenoemde
eb en vloedkreken was hiervoor bijzonder
geschikt, waardoor vele hectaren veen zijn
'gemoerd'.
Het is wel haast zeker dat de naam
'Den Oever' dateert van de tijd dat alleen
noordoostelijk Wieringen aan de zee, d.w.z. aan
een tot zeearm vergrote Vlie, grensde die
uitstroomde in de Noordzee tussen het toenmalige
gebied Texel en Vlieland. Tijdens de stormramp
rond 1170 na Chr., bij de doorbraak van het
zogenoemde Heersdiep in de kust tussen
Huisduinen en Callantsoog, zijn grote delen van
het land prijsgegeven aan de zee. Zo o.a. 't
Balgzand en de Anna Paulowna-polder (later in
1845 weer ingepolderd). Hierna is pas het Marsdiep als zeegat
ontstaan, en werd het Wieringerland omspoeld als
eiland door water. Hierdoor ontstond er een
grote uitbreiding van de Zuiderzee en vergrootte
de boezem der Zuiderzee zich aanmerkelijk. Er
moet echter wel op gewezen worden dat er sprake
is geweest van een geleidelijk proces, waarbij
Wieringen tenslotte geheel door zeewater werd
omspoeld.
Nog heden ten dagen doen op Wieringen en
omgeving verhalen de ronde over de verdronken
stad 'Grebbe' getuige de 'Turfsteen' vondsten op
't Balgzand. Dat in het verdronken gebied rondom
Wieringen enkele agrarische nederzettingen
(dorpjes) zijn geweest, is veel aannemelijker.
Waarschijnlijk heeft een van de dorpjes aan de
noordkant van Wieringen de naam 'Grebbe'
gedragen. Een van de oudste sporen van een
poging om het land te beschermen tegen de zee is
de oude Wierdijk van De Haukes naar Den Oever.
Deze dijk is opgebouwd uit zeegras, volgens een
in de 14e eeuw in gebruik geraakte methode.
Naast pogingen om het lage land tussen de
koppen droog te houden, is ook nieuw land
gewonnen. In 1846 werd de polder Waard Nieuwland
aangedijkt.
Tot aan de afsluiting van de Zuiderzee,
maar voor de ruilverkaveling was de bewoning
beperkt tot de hogere gronden. De wegen liepen
toen dood of gingen over in karrensporen zodra
de grond tussen bovenwalland of koogerland werd
bereikt. Door de ruilverkaveling zijn de lagere
delen meer ontsloten, hetgeen niet tot gevolg
heeft gehad dat het historisch gegroeide
bewoningspatroon is veranderd. Van de oude
vestingplaatsen springen er twee, namelijk
Hippolytushoef en Den Oever, duidelijk uit door
een grotere groei, tevens zijn er de kernen
Oosterland, Westerland en De Haukes. Naast de
dorpen treft men de volgende buurtschappen aan:
Vatrop en Stroe.
Wieringen werd in 1925 ten gevolge van de
afsluiting van het Amsteldiep en door de aanleg
van de oostelijke Wieringermeerdijk in 1930 naar
Medemblik, eiland af. De afsluiting van de
Zuiderzee, waarmee men in 1926 begon en die werd
voltooid in 1932, door de Afsluitdijk van Den
Oever naar Zurich, verbond Wieringen en daarmee
Noord-Friesland met het vaste land van Friesland.